Zijn reis

De reis was al lang geweest, vanaf het punt
dat zijn benen hem konden dragen.
Hij wilde liggen, verlangde naar de slaap.

Aan een vrouw langs de weg vroeg hij:
“Is het nog ver?”

“Ja, het is verder,” gaf zij hem te kennen,
“en nog een flink stuk ook, zelfs
aan de verte daarginds voorbij,”
wees ze hem de richting aan. Lees verder Zijn reis

Weer schijn

Ik sta voor het raam
in mijn kamer.

Achter me brandt het licht
van de lampen
en voor me is het donker
van de avondlucht.

In de weerspiegeling van het glas
zie ik wat er was, maar niet meer komt.

En voor me blijft het donker,
achter me is nog steeds het licht,

maar ik draai me niet om,
niet weer,

nooit meer.

Want dit is niet normaal

Zittend op een stapel jaarboeken,
waarvan het ene dikker is als het andere,
bladert hij met zijn benige vingers
door het exemplaar van dit jaar.

Ik zit aan tafel en kijk toe,
terwijl ik me afvraag
hoever de tijd weg is
waar ik angst voor heb.
de Dood - kopie
Want ik wil nog niet mee,
omdat ik het leven wil herbeleven
zoals het voorheen normaal was.

… voor zolang het duurt.

Hij vindt het weer eens tijd worden
om zijn ontspoorde ziel te voeden
met haar prikkelingen (humor, lach, nagels,
pret, vingers, kont) en prikkeldingen, zoals

vandaag een fopspeen, een het gezicht bedekkend
plastic masker, een plug, een luier, het dikke luierpak
van pvc – ach, zo heeft een ieder wel iets dat zijn of haar
opwinding laat staan, groeien, of doet gloeien –


waarin hij voor haar en voor zichzelf speelt wat hij niet is
maar in dat uurtje zijn ontspoorde ziel wel laat voeden
met haar prikkelingen en haar prikkeldingen, zodat

zijn onrust weer is weggenomen …

fopspeengag