Weer schijn

Ik sta voor het raam
in mijn kamer.

Achter me brandt het licht
van de lampen
en voor me is het donker
van de avondlucht.

In de weerspiegeling van het glas
zie ik wat er was, maar niet meer komt.

En voor me blijft het donker,
achter me is nog steeds het licht,

maar ik draai me niet om,
niet weer,

nooit meer.

Want dit is niet normaal

Zittend op een stapel jaarboeken,
waarvan het ene dikker is als het andere,
bladert hij met zijn benige vingers
door het exemplaar van dit jaar.

Ik zit aan tafel en kijk toe,
terwijl ik me afvraag
hoever de tijd weg is
waar ik angst voor heb.
de Dood - kopie
Want ik wil nog niet mee,
omdat ik het leven wil herbeleven
zoals het voorheen normaal was.

… voor zolang het duurt.

Hij vindt het weer eens tijd worden
om zijn ontspoorde ziel te voeden
met haar prikkelingen (humor, lach, nagels,
pret, vingers, kont) en prikkeldingen, zoals

vandaag een fopspeen, een het gezicht bedekkend
plastic masker, een plug, een luier, het dikke luierpak
van pvc – ach, zo heeft een ieder wel iets dat zijn of haar
opwinding laat staan, groeien, of doet gloeien –


waarin hij voor haar en voor zichzelf speelt wat hij niet is
maar in dat uurtje zijn ontspoorde ziel wel laat voeden
met haar prikkelingen en haar prikkeldingen, zodat

zijn onrust weer is weggenomen …

fopspeengag

Gooi de ogen

WP379De weemoed is zijn duisternis,
het leven de voorbijganger,
een passant die niet groet
en hem vaak niet eens ziet staan.
Het licht komt soms van de enkeling
die hem met verlokkende klanken
uitnodigt bij haar binnen te komen
en daarna de gordijnen sluit.

Buiten het schijnsel van de lamp
staart hij donker naar de overkant,
met de handen in de zakken van zijn jas,
zonder iets te voelen, alleen
de steen waarmee hij dobbelt,
die keren dat hij niet weet wat te doen
en hij het lot laat beslissen wat het wordt.