Horribel, 1.

Op de bonnefooi op vakantie heeft zo z’n charme, maar op het bijna einde van de dag is het wel prettig om zicht te hebben op een slaapplaats en vooralsnog ziet dat er niet hoopvol voor hen uit. Het landschap waar Bradley en zij al een tijdlang over smalle en kronkelende wegen doorheen trekken, is weliswaar fraai en gevarieerd qua natuur, maar leeg in bewoning. Het laatste dorp waar ze doorheen zijn gekomen, ligt een dik uur achter hen. En omdat het niet gek lang meer zal duren voordat het donker is, is omkeren en vervolgens door de duisternis terugrijden niet echt aanlokkelijk. In elk geval is dat wat zij vindt. Het geeft haar een onrustig gevoel. Ze haalt haar blote voeten van het dashboard en gaat rechtop zitten. “Het ziet er niet echt hoopvol uit, hè?” maakt ze met de handen en armen een wijds gebaar naar de leegte voor hen.  “Dus, wat is het plan?”
“Ik heb geen idee,” trekt hij zijn schouders op, maar als hij ze weer omlaag laat gaan, voegt hij er met een rimpel in zijn voorhoofd aan toe: “Misschien moeten we de nacht wel doorbrengen in de auto of in een veldje.”
“O nee! En dan worden overvallen, vermoord of verkracht?” Gelijk ziet ze de meest vreselijke beelden aan haar geestesoog voorbijkomen.
“Hoe groot is de kans daarop?” kijkt hij even sceptisch opzij.
“Ha,” prikt ze een wijsvinger zijn kant uit, “je zegt het zelf al, er is een kans op.”
“Het zou kunnen dat we mazzel hebben,” stopt hij ineens de auto bovenaan de heuveltop.
“Wat. Dat we alleen maar overvallen worden?”
“Nee, dat we een slaapplaats vinden,” wijst hij naar de voorruit aan haar kant. Halverwege de helling ziet ook zij nu het licht van lampen van een huis, dat net voorbij een driesprong ligt.
“Geeft Sint-Christoffel ons dan toch het geluk van een maal en een bed voor de nacht?”
“Wie moet ons dat geven?” bromt hij, terwijl hij het gaspedaal weer indrukt. In tegenstelling tot zijn vriendin is hij niet thuis in de wereld van heiligen en goden. Ja, Sinterklaas kent hij, maar daar stopt zijn kennis bij. Hoewel Aphrodite, de godin van de liefde, schoonheid en de seksualiteit, hem ook niet onbekend is. Het bewijs daarvan zit naast hem.
“Hij is de beschermheilige van onder anderen reizigers,” geeft ze hem te kennen.
“Aha.”
Van de driesprong draait de ene arm in een flauwe bocht naar rechts en waarschijnlijk is die daarmee de doorgaande route en de andere arm gaat in een scherpere kromming naar links. Net daaraan voorbij staat het huis, dat een kroeg blijkt te zijn. Vanaf de er tegenovergelegen steenslag parkeerplaats kijken ze met de nodige twijfel naar de overkant. Want om te zeggen dat het er daar uitnodigend uitziet? De ramen mogen wel eens een keer gezeemd worden, de gordijnen zijn groezelig en de verf bladdert van het houtwerk van de kozijnen en de deur.
“Hm, als die Christoffel van je dit voor ons op het oog heeft,” mompelt hij.
“Tja,” krijgt ook zij er niet de handen voor op elkaar. “Maar wie weet valt het binnen mee. En we zijn daar in elk geval niet de enigen,” gebaart ze naar de twee andere auto’s.
“We zullen het zo zien,” geeft hij aan en opent het portier.
Ze schiet in haar sandalen en samen steken ze over.  Nog op de weg stoot ze hem aan en wijst naar het uithangbord boven de entrée. “Ken jij dat woord, branks?” Hij kijkt even omhoog. “Nee, geen idee. Maar misschien dat het van doen heeft met dat masker,” en eigenlijk zonder in te houden opent hij de deur en met haar in zijn kielzog stappen ze naar binnen.
Binnen ziet het er beter uit als buiten. In elk geval schoner. Aan de kant van de ramen staan enkele houten tafeltjes met dito stoelen. Dominant in de ruimte staat de bar, waar aan het uiteinde de enige gast zit, een gedrongen man in een vettige, donkerblauwe overall. Een pilsje staat voor hem op de bar. Erachter staat de kroegbaas, een hoekige man met een ongeschoren kop. De opgerolde mouwen van zijn grauwe en te krappe overhemd laten de tatoeages op zijn armen zien.
“Eh, een goeienavond,” begroet Bradley de mannen, waarna hij zich tot degene achter de bar wendt. “We hebben een vraag. Bestaat er wellicht de mogelijkheid om hier te overnachten?”
Die plant zijn handen op de toog en buigt zijn bovenlichaam iets naar hen toe. “Nee.” Waarna hij weer terugkeert naar zijn houding van net ervoor.
“O,” reageert haar vriend, licht uit het lood geslagen door die korte reactie. Naast hem waagt zijn vriendin een nieuwe poging. “Misschien weet u iets in de buurt dan?” De man keert zich naar haar en laat zijn ogen eerst naar haar borsten gaan, voordat hij haar in het gezicht kijkt. Ze voelt zich er gelijk onbehaaglijk bij, omdat de blik in zijn ogen wellust uitstraalt. “Aan het einde van deze weg staat een landhuis.” Zijn ogen gaan van haar terug naar haar vriend. “De eigenaar wil wel eens mensen binnenlaten.”
“We zien ze alleen nooit terugkomen,” voegt de man aan de bar er met een raspende stem aan toe. De lach die erop volgt klinkt akelig en gaat over in een hoestbui. Met dat ze zich met een frons naar hem toekeert, valt haar oog op de drie afbeeldingenbonnefooi2 - scold's bridle bonnefooi3 - scold's bridlebonnefooi4 - scold's bridleaan de wand achter hem. Vol ongeloof staart ze erna. Want dat kan toch niet waar zijn? Op twee van de plaatjes staat elk een vrouw afgebeeld met zo te zien metalen banden om het hoofd en mond. Het derde plaatje laat het martelwerktuig, want dat is het voor haar onomstotelijk, in volle glorie zien. “Dat is…, pervers,” wijst ze, terwijl ze zich omdraait naar haar vriend en de barman. Die laatste haalt onverschillig zijn schouder op. “Zo ging dat vroeger hier.” Ze maakt een wegwerpgebaar uit onmacht en verlaat stantepede de kroeg. De baas ervan laat het langs zich heenglijden en vervolgt naar Bradley: “Probeer het daar dus maar,” en wijst in de richting van waarheen ze moeten gaan.
“Bedankt,” brengt hij nog uit en hij gaat snel zijn vriendin achterna, die al bij de auto staat.
“Pfff, wat een engerds zeg. Zag je hoe die gast achter de bar me opnam? Volgens mij zag hij mij maar al te graag met ook zo’n ding om mijn hoofd. Zoiets hang je toch niet op? Of ziet hij soms de vrouwen graag zo.”
“Tja, het is voor vrouwen in elk geval niet uitnodigend om daarbinnen te zijn. Maar wellicht stond hier vroeger op deze plek, in de middeleeuwen of zo, een rechtbank die mensen tot dat soort dingen veroordeelde.”
“Misschien, ja. Maar dan nog spijker je niet die dingen aan de muur, tenzij je er een uitleg bij hangt.” Ze opent het portier. “En dan nog die andere vent, met die nare uitspraak dat hij de mensen nooit terug zag komen van het landhuis vandaan. Zal dat echt zo zijn?”
“Welnee. Want hij zit toch niet tot ’s ochtends vroeg aan die bar?”
“Maar de eigenaar ziet toch wat er langskomt? En dus ook wat niet of niet meer?” Ze stappen in, waarna zij oppert: “Misschien moeten we toch in de auto slapen en niet naar dat landhuis gaan.”
“Joyce, kom op,” kreunt hij. “Als er hier al mensen verdwenen zijn, dan zou dat toch groot in het nieuws geweest zijn? Dus we gaan naar dat huis om te horen of we al dan niet welkom bij hem zijn.”
“Okay.” Maar echt overtuigd komt het niet over haar lippen.
De lichten van de auto moeten aan en in het schemerdonker draait hij de weg op, die hopelijk eindigt bij een slaapplaats voor de nacht. Zij pakt haar mobieltje en klapt die open. “Owhhh,” roept ze dan uit. “Weet je waar de branks voor staat? Moet je horen.” En ze leest voor: “The Brank’s or Scold’s Bridle Torture device was a type of metal cage or mask that was fastened around the victims head. The purpose of the Brank’s was to punish the victim through slow torture and humiliation at the same time! Zo, dat is creepy zeg.
Ze scrolt een eindje naar beneden, voordat ze weer iets voorleest, met emotie in haar stem: “Sometimes spikes were added to an iron curb-plate that inserted into the mouth of the victim and pressed down against the top of the victim’s tongue.
“Een heftig verhaal,” is ook haar vriend geschokt.
“Ja hè. En dat ding, dat was wat ik op dat ene plaatje zag, een uitsteeksel binnenin die band dat dus de tong naar beneden duwde, waardoor het slachtoffer niet meer in staat was om te praten.” Ze gaat verzitten, draait zich iets naar hem toe. “Dus raar toch dat die gast zijn kroeg zo noemt en van die plaatjes ophangt? Dan zit er toch een steekje bij je los, vind ik.”
Zwijgend rijden ze voor een moment verder, ieder in de eigen gedachten verdiept. Om, als de rit door de duisternis maar voortduurt, terug te keren naar het nu. Het is bosrijk geworden.
“Hadden we zo langzaamaan niet bij dat landhuis moeten aankomen en hebben we misschien de verkeerde weg genomen?” tuurt ze door de voorruit.
“Hij wees daarnet toch echt deze richting uit.” Hij zet het grootlicht aan en gelijk schijnen de koplampen een flink stuk verder de weg aan. Toch laat het licht nog steeds niets anders zien dan bomen aan weerskanten. “Ik rijd nog een stukje door en als we dan nog niks zien, keer ik en…” “Ga je zeker die kroeg weer in,” fronst ze, “maar dan blijf ik wel in de auto zitten.”
Hij reageert niet, want ziet hij het nu goed? Hij dimt het grootlicht en ja hoor, daar in de verte branden lichtjes. Hij trommelt even met de vingers van de ene hand op het stuur. “Nou, laten we duimen dat we er welkom zijn.”
“Ja.” En de aarzeling is hoorbaar. Dan komt er achteraan: “Maar met een maar hoor. Als het er eng uitziet of als die man eng is, keren we gelijk om. Beloofd?”
Het gebeuren in en rond de kroeg heeft meer met haar gedaan dan gedacht, beseft hij. “Oké, dat is bij deze beloofd.”
De lichtjes die opdoemen, zijn lantaarns op twee gemetselde stenen pilaren. Ertussen staan beide smeedijzeren hekken open. Omdat de oprijlaan verderop een draai maakt, ontnemen de bomen het zicht op het huis.
“We gaan er maar doorheen, hè? Want ik zie geen intercom hangen,” knikt hij naar de pilaar aan zijn kant, “geen huis en de toegang is uitnodigend open, toch?”
“Ja, ga maar,” geeft ze toe.
Nog voordat ze de bocht door zijn, ziet hij in de binnenspiegel dat de toegangshekken zich sluiten. “Dat is raar,” mompelt hij.
“Wat.”
“Nou, dat de hekken dichtgaan.”
Zij kijkt in de zijspiegel en ziet hoe het laatste stukje zich sluit. “Is dat niet normaal dan?”
“Ik denk van wel,” reageert hij, omdat hij haar niet ongerust wil maken. Want logischer is als een toegang dicht is, reageert op een zender in de auto en zich dan opent, om erna weer in het slot te gaan. Maar dat houdt hij voor zich. Nadat ze de bocht door zijn, is er nog steeds niets te zien aan bebouwing. Wat hem de opmerking ontlokt: “Degene die hier woont, moet haast wel goed in de slappe was zitten, want het is best een omvangrijk grondgebied.” En de weg slingert zich ook nog even door bonnefooi5 - country manor househet bos, maar dan hebben ze ineens zicht op de woonstee, die bij haar een kreet ontlokt: “Dat is een eng bouwsel!” En ook hij had van alles verwacht, maar niet dit. Hij heeft een eindje van de toegang de auto tot stilstand gebracht. “Wow,” klinkt hij meer begeesterd. “Ik denk dat het vroeger een burcht is geweest.” Zij schudt vertwijfelt haar hoofd. “Is het wel verstandig om daar naar binnen te gaan, Brad?” Hij wil net vragen of dat voor haar omkeren betekent, als er in de verlichte toegangspoort een rijzige man verschijnt, die goed oogt in zijn donkere colbertje, wit overhemd en nette spijkerbroek. Met een brede lach gebaart hij hen naderbij te komen. “Oké, ga maar door,” is er iets van opluchting in haar stem te horen.
De man loopt de poort uit en komt bij de neergelaten zijruit aan Bradleys kant. “Dag, mooie dame en heer,” begroet hij hen met een welluidende, warme stem. “Welkom op mijn manor house of chateau. Mijn naam is Eduard van Este. Zeg maar Ed.”
“Dank voor uw welkom. Mijn reisgenote en vriendin is Joyce van Diepen en ik ben Bradley Alders.”
“En jullie komen overnachten?”
“Als dat kan, graag.”
“Zeker wel. Rijd verder door de poort, waarna je de auto op het voorplein kunt parkeren en daarna laat ik jullie de kamer zien.”
Op de binnenplaats staat een donkerblauwe Range Rover, waar hij hun bescheiden Toyota Aygo naast zet. Als ze uitgestapt zijn en de reistassen gepakt, gaat Ed hen voor naar binnen. Waar zij toch nog enige angst voelt voor wat ze binnen aan zal of kan aantreffen, wordt dat gelijk weggenomen. Het ziet er alles ‘kasteelachtig’ uit. Schilderijen met afbeeldingen van wellicht zijn voorvaderen, hoe de burcht er in voorgaande tijd uitzag en vanzelfsprekend – veelal naakte – vrouwen in wulpse houdingen. Houten beelden van geestelijken, kaarsen op standaards of in toortsen aan de muren. Hij gaat hen voor de wenteltrap op, waarvan de leuning natuurlijk van ijzer is, naar de eerste verdieping. Waar hij hen door een doolhof van gangen naar een ruime kamer aan de achterkant leidt. Met, niet eens verrassend, een hemelbed en een houten tafeltje en stoelen, waarvan de zittingen en rugleuningen bekleed zijn met stof. “Als jullie je opgefrist hebben en ermee akkoord gaan, laat ik jullie over een half uurtje halen voor het diner in de eetzaal.” Wat hen als muziek in de oren klinkt. En met die woorden laat hij hen achter.
“Weet je nog, Sint-Christoffel?” lacht ze. “En zie wat hij ons gebracht heeft.” En daarbij zelfs de luxe van een badkamer, geen grote, maar met een bad en douche, wastafel en toilet is die wel compleet. Ze zijn net klaar met uitpakken en opfrissen, als er op de deur wordt geklopt. Als ze die opent, houdt ze even verrast de adem in. Want de vrouw tegenover haar is bepaald niet alledaags gekleed. Het zwarte mouwloze lijfje van leer zit adembenemend strak om haar bovenlichaam en de diepe halsuitsnijding geeft, zeker voor Brad, een boeiende inkijk. De tot aan de grond reikende en wijdvallende rok is ook zwart, maar van stof. Waarschijnlijk katoen. “Eh, hallo,” begroet ze haar dan ook verbluft. Zal ze de vrouw of vriendin van Eduard zijn? Ze ziet er in elk geval enigszins kasteelvrouwachtig uit. “U komt ons eh, halen voor het eten?”
“Ja. Ik wijs jullie de weg naar de eetzaal en daarna verder.” Omdat ze niet haar naam noemt, laat ook Joyce die van haar achterwege.
Ze gaat hen voor naar de eetzaal, die boven de poort blijkt te zijn. De tafel blijkt gedekt voor twee, dus ze nemen aan dat hun gastheer al gegeten zal hebben. Als ze tegenover elkaar plaats hebben genomen aan de enorm lange tafel, zien ze aan het bestek naast hun borden dat het op z’n minst een driegangen diner worden. De vrouw die hen hier heen heeft gebracht, pakt van een bijzettafeltje een fles wijn. “Het is een rode wijn die van de wijngaard van het chateau vandaan komt. Het is een volfruitige wijn met een subtiele houtnuance en zachte tannines.” Zonder te vragen schenkt de glazen in. Nieuwsgierig pakken zij de glazen op, ruiken, toosten, proeven. De vrouw zet de fles terug op het tafeltje. “Zo, ik ga het voorgerecht voor jullie halen, een aardappelsoep met peterseliewortel en peterselie-olie.”
“Peterseliewortel?” kijkt Brad haar vragend aan. Uit liefhebberij kookt hij thuis best geregeld en is daarom altijd geïnteresseerd in nieuwe recepten en producten. “Peterseliewortel is sinds kort herontdekt,” legt zij hem uit. Qua uiterlijk lijkt het op pastinaak, maar de smaak is heel anders. Subtieler en kruidiger.”
“Hmmm, dan ben ik er zeer benieuwd naar.”
De drie smalle, hoge ramen laten de contouren van bomen zien en enkele fonkelde sterren, maar voor de rest is het duisternis alom. Ze nemen de dag en het wonderlijke vervolg daarop door, nemen daarbij nog een slok van de wijn. Dan, van het ene op het andere moment, ziet hij Joyce wazig. En zit zij nou half weggezakt in haar stoel? Het volgende ogenblik is hij out.

Gepubliceerd door

hansbakkerschrijft.com

Ik schrijf vanuit de behoefte om zo nu en dan mijn fantasieën in verhalen om te zetten. Verhalen die erotisch, erotisch getint dan wel bizarre vertellingen zijn. Weet daarbij in elk geval dat ik ernaar streef om in mijn schrijfsels niet te kwetsen en de dingen niet ordinair te verwoorden. Wat voor mij voorop staat is de wens jou leesplezier of –genot te bezorgen.

2 gedachten over “Horribel, 1.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s