De Feniks

Waarom hij gekozen had voor wat je met recht een natuurhuisje kon noemen? Die reden was simpel geweest, namelijk omdat hij een week lang weg wilde zijn van de hectiek rondom het nieuwe normaal, dat hij onderhand na een jaar meer dan zat was. Lekker in de natuur zijn, zonder iemand om hem heen en ver weg van alles. De Feniks1Aan deze voorwaarden was voldaan. Het huisje lag afgelegen in een loofbos met eiken, berken en beuken en met het dichtstbijzijnde dorpje voor de boodschappen op vier kilometer afstand. Weliswaar was er een vierhonderd meter verderop een gelijksoortig huisje, maar daarvan waren de luiken voor de ramen dicht geweest en had hij geen activiteiten waargenomen.
De plussen waren daarmee dat hij de stilte kon horen, een stilte die slechts onderbroken werd door het ruisen van de wind, het gekwetter van vogeltjes deze middag en in de vroege avond het gratis concert van de krekels en kikkers, als hij voor dat laatste in het juiste jaargetijde hier had gezeten. Wat hij nog niet had gezien, maar zeker wel tot de mogelijkheid behoorde, was het bezoek van reeën die kwamen drinken aan de oever van de vijver.
Het was hier dus een ideale plek om te kunnen ontspannen, slapen, lezen, wandelen en nog meer, als er geen minpunten waren geweest, ergernissen eigenlijk.
Die waren er meteen na binnenkomst, toen hij in de slaapkamer zijn kleren uit de reistas haalde om die in de kasten op te bergen. Kasten waarin kledingstukken van een vrouw hingen en in keurige stapeltjes op de legplanken lagen.
De aanwezigheid van die kleding wekte bij hem de indruk alsof het huisje normaal bewoond werd. Het was een aanname die hem echter onzinnig voorkwam, omdat dit een huisje was dat via een vakantiesite werd verhuurd.
Hij vond er een meer logische verklaring voor. Je kon dit huisje namelijk contactloos huren, wat inhield dat je er kon verblijven zonder contact met de verhuurder te hebben. Die zorgde ervoor dat de sleutel op een vindbare plek voor het grijpen lag. Het was een optie waarvoor hij gekozen had. Stel dat de eigenaar om wat voor reden dan ook de sleutel enkele dagen voor zijn komst al neer had gelegd en dat die door die vrouw was gevonden? En zij in het huisje was ingetrokken, omdat?
Dat was een onbeantwoorde vraag, maar het was in elk geval iets wat hem dwars had gezeten. En wat als zij plotseling opdook? Deze middag? Of vanavond? Of vannacht?

Het bleef ook niet bij de ergernis van de beperking in de kastruimte. Want om voor dat raadsel een mogelijke verklaring te vinden, had hij de verhuurder nodig. Daarvoor moest hij die wel kunnen contacten. Wat onmogelijk bleek, omdat hij geen bereik had. Niet op zijn mobieltje en net zomin op zijn laptop. Hoezo, weg van alles. En ja, dat was iets wat hij zich gewenst had. Maar zo radicaal, verstoken van mobiel bereik en van internet?
En ook nog eens zonder een teevee in het huisje? Dat werd duimen dat het dorp beschikte over een boekwinkel of een Bruna, omdat hij met slechts twee boeken in de tas het geen zeven avonden zou redden.

Had hij het daarmee gehad met de ergernissen? Nee. Want het toilet buiten, een dixi, was te smerig geweest om op te zitten en was ook nog eens niet geleegd. Even was er de neiging om alles weer in de auto te laden en het voor gezien te houden.
De Feniks2Maar enerzijds was dat zonde van de euro’s, hoewel de huur voor de week niet dusdanig hoog was dat de pijn niet te dragen zou zijn. En anderzijds, hij had niet voor Jan Doedel de keuze gemaakt om de rust te zoeken. Dus morgen in het dorp ging hij wel pogen contact te maken met de verhuurder
Voor vandaag maakte hij eerst de dixi met een sopje schoon. Erna liet hij met een borrel onder handbereik in een stoel op het terras en diep weggedoken in een warme jas de omgeving op zich inwerken en daarmee de irritaties van zich afglijden. Totdat de kou zich op de botten neerzette en hij naar binnen ging, waar hij de lampen aandeed, de houtkachel van hout voorzag en de brand er instak.
Al vrij snel verspreidde een aangename warmte zich in de kleine ruimte, een combinatie van woonkamer, eetkamer en keuken. Meer had het huisje niet, oké, de slaapkamer was er nog.

Die hij opnieuw naar binnen ging, omdat hij nog eens naar de kleren van de hem onbekende vrouw wilde kijken. Waarom had zij die achtergelaten? Omdat ze halsoverkop had moeten vluchten voor iemand? Zo ja, dan was te hopen dat die gepakt waren, want hij keek er niet naar uit om op enig moment met een stel criminelen geconfronteerd te worden. Dat was een gedachtegang die hem met een zorgelijke rimpel naar de kasten en de kleding deed staren.
Als bij toverslag bekroop hem een gevoel van onbehagen. Waar kwam dat ineens vandaan? Was hem iets bijzonders aan haar kleding opgevallen? Maar wat dan? Omdat hij geen idee had, pakte hij kledingstukken uit de kast die aan de kleerhangers hingen en die hij stuk voor stuk kort bekeek. Een rokje, nog een rokje, een blouse. Een lange, goudkleurige jurk die was voorzien met zwarte vlekken als van het luipaard. Het was een jurk die een split midden voor had, die naar zijn idee pas op of misschien zelfs voorbij het kruis stopte en een split boven die hem leek te eindigen vlak boven de navel. Djiezus, wat een geil makend ding was dit zeg. Hij voelde zijn pik verstijven toen hij zich probeerde voor te stellen dat die vrouw dit droeg. Zijn hand gleed langs de voorkant van de jurk omhoog tot aan waar de split begon en hij bevoelde de stof.
Zijn ogen vernauwden zich. Er was iets met dit kledingstuk? Iets probeerde zich aan hem op te dringen, maar een beeld kwam niet door. Plots liep een rilling over zijn rug en die liet het kippenvel op zijn armen komen. Een geur prikkelde zijn gedachten, maar wat rook hij? De geur van opgedolven aarde? Of van verrotting? Gauw hing hij de jurk terug en snel verliet hij de slaapkamer.

Jezusnogantoe, wat was dat net met die jurk? Hoe kon het dat die hem koud had gemaakt? Waardoor was het gebeurd dat iets hem een beeld had proberen op te dringen? Hij kon het niet duiden, maar hij wist wel wat het met hem had gedaan, er was een kou in hem gekropen, die hij pas zittend op de grond voor de houtkachel kwijtraakte.
Het duurde lang voordat hij het onbehagen van zich af had laten glijden en hij zijn aandacht naar de kleine keukenhoek wist te verplaatsen, wellicht aangemoedigd door een knorrende maag.
Het werd een simpel klaar te maken maal, een magnetronmaaltijd: hachee met rode kool en aardappelpuree. Het maakte dat de afwas alleen bestond uit een bord en het bestek, dus hij was snel klaar daarmee.
In het koffiezetapparaat vulde hij water in het reservoir en snelfiltermaling in het koffiefilter, genoeg voor twee mokken koffie. Terwijl het water doorliep, zag hij dat de kachel wel mocht worden bijgevuld. De benodigde blokken hout lagen opgestapeld onder het afdakje aan de zijkant van het huis en omdat hij daarvoor dus naar buiten moest, besloot hij gelijk maar de dixi aan te doen om te plassen.
Aan de donkere avondhemel dreven grijze wolken voorbij, waartussen het bleke schijnsel van de wassende maan. Verder weg waren de flonkerende lichtjes van de sterren zichtbaar. Voor de rest was er rondom hem de duisternis van het bos.
Hij liet zich boven het gat in de dixi zakken en hij liet daarbij de deur open. Ten eerste was het niet nodig om die dicht te doen, omdat hij hier alleen was. En ten tweede wilde hij niet in de dixi opgesloten worden, mocht er toch iemand opduiken die eerder in of bij het huisje was geweest.
Godver, liet hij zich nou gek maken door iets onverklaarbaars? Nee, dat liet hij niet toe. Toch vulde hij onder het afdakje rap de emmer met hout en haastte hij zich weer naar binnen.

Terug in het huisje vulde hij de kachel met een paar nieuwe houtblokken. Waarna hij zich een mok koffie inschonk, waarmee hij op de bank aan de tafel ging zitten. Voor even staarde hij naar zijn spiegelbeeld in het raam.
Wat als er een gek uit het bos tevoorschijn kwam? Zwaaiend met een groot mes of een bijl? Kom op, alsof zo iemand hier rondliep. Dat was zeer onwaarschijnlijk.
Maar wat als die vrouw plotseling opdook? En stennis zouden maken? Of erger, kwaad in de zin hadden? Of… Z’n gedachten schoten naar het rare voorval in de slaapkamer, met die jurk. En opnieuw probeerde er zich iets aan hem op te dringen, iets waar hij andermaal geen grip op kreeg.
Hij schudde het van zich af en hij keerde zich ook af van zijn spiegelbeeld. Hij concentreerde zich voor een moment op de geluiden van het huisje. Het gekraak van de planken, waarmee het huisje opgebouwd was en die waarschijnlijk werkten door de warmte binnen en de bijna vrieskou buiten. Naar het knappende geluid van een houtblok in de kachel, naar het gezoem van de koelkast. En ineens klonk er getrippel op het dak. Was dat van een vogel? Of van een vierpotig dier, een eekhoorn of marter? Gek eigenlijk dat hij zich hier zo bewust was van de geluiden en thuis niet. Of zijn die in de eigen woonomgeving zo gewoon dat ze gewend zijn en daarom niet meer opvallen? Het getrippel stopte en hernieuwde zich niet.

Hij stond op voor de tweede mok koffie en om een boek uit de reistas in de slaapkamer te halen. Voor de kledingkasten weifelde hij. Ging hij die lange jurk nogmaals uit de kast halen om te voelen of hij opnieuw die rare, zelfs beklemde ervaring waarnam? En hoe of waarom kwam het dat hij die pas bemerkt had bij juist die jurk en niet bij de voorgaande rokjes of bij de blouse?
Hij opende de kastdeur en hij liet zijn ogen langs de kledingstukken aan de hangers gaan. Hij gleed met zijn wijsvinger erlangs, maar sloeg vervolgens de lange jurk over. Omdat hij bang was opnieuw dat onverklaarbare gevoel te ervaren? Ja, gaf hij toe.
Hij verlegde zijn blik naar de liggende kleding, naar een stretchbroek en de lingerie ernaast. Eventjes liet hij zijn hand de broek aanraken. Die hem godzijdank geen heftige reactie bracht. Haar ondergoed raakte hij niet aan, dat vond hij onfatsoenlijk. Toch? Hoewel hij benieuwd was naar haar maten. Maar wat had hij daaraan? Niets meer dan dat zijn nieuwsgierigheid daarnaar bevredigd zou zijn.
Het waren een M op de etiketjes van de slipjes en een 75B op die van een blauwe en stevig gevormde beha en gek genoeg een 70C op die van een grauwwitte en slap aanvoelende, dus beugelloze beha. Van het zwarte nylon slipje dat op kastvloer lag, had hij in het kruisje gezien dat het gewassen moest worden; hij had het in zijn gezicht geduwd en geprobeerd haar geur op te snuiven. Die hij nog vaag meende waar te nemen. Even had hij erover gedacht om zijn harde pik erin te steken en zich in het slipje af te trekken, maar dat had hij niet aangedurfd.

Hij diepte de roman Nulpunt van Horst en Enger uit de reistas en ging daarmee terug naar de kamer, waar hij weer op de bank aan de tafel ging zitten.
Al gauw trokken deze Noorse auteurs hem het verhaal in, waarin jacht werd gemaakt op een moordenaar. Pagina na pagina gingen aan zijn ogen voorbij. De koffie maakte plaats voor een borrel, enige houtblokken waren nog nodig om de kamer op temperatuur te houden tot aan de bedtijd. De onderbreking die hem nog een keer uit het verhaal haalde, was een gang naar de dixi om te plassen.
Hij zat net opnieuw in het verhaal, toen hij iets in zijn ooghoek meende te zien bewegen. Een dier? Nochtans zag hij in het glas van het raam alleen zichzelf weerspiegeld. Totdat vanuit het donker een ijselijke gil klonk en meteen erna het vreselijk mismaakte en waarschijnlijk door brandwonden veroorzaakte gezicht van een vrouw aan de andere kant van het raam opdook. Hij gilde zeker zo hard. Het blonde haar hing in slierten langs haar bleke gelaat, de donkere make-up was doorgelopen, haar ogen leken wel donkere holtes en haar gekromde vingers stonden als klauwen tegen de ruit.
Hij was achterover gedeinsd op de bank, zijn ene hand achter zich op de zitting en de andere greep zich vast aan het tafelblad. Zij duwde zich al van het raam los, waarbij de jas of cape openviel en ze daardoor roomwitte borsten ontblootte, terwijl uit haar mond de angstkreet klonk: “Red me, o God, red me!” Dat was het laatste wat hij van haar zag en hoorde, want weg was ze.

“Kut!” kroop hij achterwaarts van de bank. Hij kwam overeind en hij stond te trillen op zijn benen, waardoor hij zich vast moest houden aan het tafelblad. In de ruit zag hij een lijkbleek gezicht weerspiegeld. Het was zijn gezicht, besefte hij. Want zij was… Met een ruk wendde hij zich naar de deur. Had hij die daarstraks op slot gedaan? Of kwam zij zo door de deur binnen wankelen? Zijn hart bonkte bijkans zijn borstkas uit, de adem stokte hem in de keel, z’n ogen sperden zich wijd open en hij wachtte op haar, op misschien een duivelin in mensengedaante. Kwam zij hem halen?
Niet dus. Er kwam niets, er gebeurde niets. Alleen een diepe zucht, toen hij zijn ingehouden adem uitblies. En dat was gelukkig niet zijn laatste, hoewel het haar gelukt was om hem in één keer koud te maken. Tot op het bot. Zelfs van de warmte van de kachel achter zich merkte hij niets.

Ging hij die deur door, moest hij niet naar buiten? Was dat verstandig? Misschien niet. Maar haar angst en haar geuite ‘Red me’ kwamen weer terug op zijn netvlies. Van wie of van wat moest ze verdorie gered worden? Geen idee, maar ze was duidelijk in nood en was hij dan een schijtlijster die haar in de kou liet staan? Nee, dat laatste kon hij niet doen, maar bang was hij zeker toen hij o zo behoedzaam de deur op een kier opende. Er stond niemand achter. Ook niet ernaast zag hij, toen hij voorzichtig zijn hoofd door de deuropening stak. Hij durfde het aan om naar buiten te gaan en met zijn rug naar de muur van het huisje gekeerd schuifelde hij naar de hoek. Nog steeds op zijn hoede wierp hij er een blik omheen, naar de plek waar zij had gestaan, maar niet meer stond. Waar was ze gebleven? Was ze het bos in?
Hij liet zijn ogen langs de bosrand gaan en zag haar dan, al ver weg op het pad dat van zijn huisje naar het andere vakantiehuisje ging en vandaar verder door naar het dorp. Ze leek wel te vliegen, wat wellicht ook werd ingegeven door de lange wapperende cape. Waarom was ze er vandoor? Want ze werd niet achternagezeten en hij zag ook niemand die dat van plan was. Wel hoorde hij haar nog een keer roepen. “Help me,” was deze keer haar noodkreet. Hij rilde, vanwege haar angst en van de kou. Verdomme, moest hij niet eerst naar binnen om een jas te pakken? Maar dan was hij haar kwijt, kon hij haar niet meer vinden en moest hij misschien later het nieuws horen dat ze was omgebracht? Dat zette hem aan om de achtervolging in te zetten.

Hij liep niet op haar in, het leek er zelfs op dat de afstand tussen hen groter werd. Hij durfde niet te versnellen, bang om zich te verstappen in één van de kuilen op de modderige bosweg, die toch al slecht te zien waren onder het bleke schijnsel van de maan. In de bocht die het pad maakte, verdween ze voorlopig uit het zicht.
Wie was zij, verdomme? Kon zij de vrouw zijn van wie de kleren in het huisje waren? Werd ze belaagd en zo ja, door wie? Hij hield in om te checken of hij soms achternagezeten werd. Wat godzijdank niet het geval was.
Waarom was ze verdorie niet binnengekomen? Dan had hij haar kunnen helpen, was ze gered geweest, toch? Of had ze in hem ineens het kwaad gezien? Pasten haar borsten in 75B?
Waar kwam die gedachte zo plotsklaps vandaan? Omdat hij weer haar borsten voor zich zag op het moment dat die cape van haar openviel? Was ze daaronder helemaal naakt geweest?

Kreeg hij op al die vragen misschien antwoorden nadat hij ook zover was dat het huisje voor hem zichtbaar werd? Daarbij vielen hem twee dingen op. Ten eerste dat alle luiken nog steeds voor de ramen zaten en ten tweede dat de schoorsteen rookte. Maar van haar aanwezigheid geen spoor. Natuurlijk kon ze door zijn gerend, maar dan moest ze heel rap zijn geweest om achter de een heel stuk verderop liggende bocht te kunnen verdwijnen. Plus dat het ook niet logisch zou zijn dat ze door was gerend, want zij was immers bij zijn huisje geweest waar ze hem gesmeekt had haar te redden? Maar wat was nog logisch in dit hele verhaal?

Hij liep om het huisje heen en checkte de luiken, die alle dicht zaten en waarvan geen enkele te openen was. Ook de deur was op slot en op zijn bonzen en roepen volgde geen reactie. Zijn blik viel op een gevelsteen links van de deur. De beeltenis leek hem een feniks, wat overeen zou zijn met de tekst eronder: Na een brand in 2010 weer opgebouwd. Hij fronste. Waarom vond hij dat zo akelig om te lezen?
Ineens liep een rilling over zijn rug. Want was er soms een verband tussen dat wat op deze steen stond en de vrouw met het mismaakte gelaat die hij achtervolgde, maar kwijt was? In wanhoop schudde hij zijn hoofd, hij moest haar verdomme vinden en zo mogelijk helpen.
Hij speurde de bosrand af, waar de bomen donker stonden te zijn en geen blijk gaven dat ze daar verborgen was. Was ze dan toch doorgerend en moest hij nog een stuk verder gaan? Of hield hij het voor gezien, omdat ze op dit punt voor hem in rook was opgegaan?
Ja, want dit was een heilloze missie geworden en hij werd het zich ook weer bewust dat hij geen jas aanhad en dat het verdomde koud was. “Sorry,” riep hij naar nergens, “maar ik ga de warmte van de kachel in mijn huisje opzoeken en kom alsjeblieft ook, want ik wil je helpen.” Hij liep naar het pad dat hem terug zou brengen. Nog eenmaal draaide hij zich om, om zich ervan te vergewissen dat er niemand was die naar hem keek of op hem afkwam. Een laatste blik ook op het huisje, waar de schoorsteen nog steeds rookte en in de rook die vrouw ineens als een spookverschijning verscheen en mee omhoog verdween!

Nee, het was een hallucinatie. Hij zag spoken, had spoken gezien, niets was wat het was. Of hij was gek geworden, doordat hij hier van god en alleman verlaten was. Gelul. Want er had een vrouw voor het raam gestaan, hij had iets, wat dan ook gevoeld, gemerkt bij het aanraken van die lange jurk. En dat hij haar zonet in de rook dacht te zien, dat kwam gewoon door de spanning van alles wat er was voorgevallen.
Uit de schoorsteen vandaan steeg nog slechts een dun sliertje op de nachtlucht in, waar uit de duisternis vandaan klonk: “Je liet me in de steek. Waarom?”

Struikelend over zijn voeten rende hij van het spookhuis vandaan, naar het pad dat naar zijn huisje leidde en waar hij zich straks opsloot en zich ging bewapen met alle messen die hij kon vinden. Alleen was het zover nog niet, nog lange niet, want het leek wel alsof hij nauwelijks vooruitkwam. Of was het verbeelding, zoals zo langzaamaan alles zijn voorstellingsvermogen te boven ging?
Eindelijk bereikte hij de bocht in het pad weer en kon hij zijn huisje zien. Waar buiten lichten brandden? Verdomd, ja. Onder het golfplaten dak van het terras waren de lantaarns aan. En zag hij het goed? Stond zij daar in haar lange zwarte cape, de kont tegen de rand van het blad van de terrastafel gedrukt? Als aan de grond genageld bleef hij staan. Godgloeiende, het leek er wel op. Maar dat kon natuurlijk niet. Ze was gevlucht, ze was in rook opgegaan en ze kon hem vervolgens niet op de een of andere manier voorbij zijn gegaan. Onmogelijk.  Het hart klopte hem andermaal in de keel. Wat kon hij opnieuw verwachten? En wat kon hij nog hebben? Want zo langzaamaan was hij zijn zenuwen niet meer de baas.
Waarom gilde ze niet om hulp? Waarom kwam ze niet meer angstig op hem over? Of had ze haar belager koud gemaakt? Wat maakte dat ze er zo rustig, zo relaxed bij stond?
Of was zij niet de vrouw die om hulp gesmeekt had, gevlucht was, verdwenen was? Was ze misschien een ander eh, wezen? Een geest? Die ook weer in een zwarte mantel, in een cape zoals zij had gedragen, ronddwaalde? Spookte? Nee. Hij was ervan overtuigd dat zij degene was die hij achterna had gezeten. En die hem op dit moment wenkte!

Ging hij naar haar toe? Hij aarzelde. Was hij bang voor haar geworden? Ja. Maar wat kon ze hem aandoen? Hij kwam weer in beweging, liep haar kant op. Ze glimlachte, zag hij. En stak onder de cape de lange jurk uit die hem zo van streek had gemaakt? Hij meende van wel.
Binnen gehoorsafstand kwam de vraag die hem op de lippen brandde, maar die stotterend zijn mond uitkwam: “Wie of wwwat be, ben jij?”
“Ik ben Eva en jij gaat mijn brand blussen.”
Wat stond ze te raaskallen, wat was dat voor kletskoek over haar brand blussen? Terwijl hij haar verbaasd aankeek, viel het hem pas op dat gezicht gaaf was, zonder brandwonden en dat haar make-up weer in orde was. Wel erg donker overigens, zoals van Gothic vrouwen.
“Wat is dat voor bullshit, ik ga helemaal niet jouw…”
Haar ogen schoten vuur, terwijl ze hem onderbrak: “Jij hebt mij bezoedeld, onteerd! Je hebt aan me gezeten, je hebt me door de voor- en de achterkant van mijn jurk bevoeld!” Met een ruk sloeg ze haar cape open.
De goudkleurige jurk bedekte toch de navel en haar kruis, constateerde hij. Maar het feit dat zijn mond openviel, had te maken met hoe zij kon weten dat hij haar jurk uit de kast had gehaald.
“En je hebt in mijn kruis geroken!” vervolgde ze met nog steeds vuurspuwende ogen. “Je hebt die neus van je in mijn slipje gestoken. Het valt me nog mee dat je je er niet in hebt afgerukt, jij vunzig mannetje.”
Dat kon ze niet weten. Tenzij…, ze dus echt een geest was?
“En daarvoor ga ik je merken!”
Bedoelde ze ‘dat zal je merken’?

Nadat een moment van stilte was gevallen, was ze meer bedaard toen ze hem aangaf: “Kom, de nacht is voor ons, blus mijn allesverzengende vuur, want de dageraad komt niet meer voor jou.”
Het drong niet eens echt tot hem door wat ze allemaal bazelde. Want hij was nog zwaar onder de indruk van wat ze hem had zien doen in de slaapkamer voor de kledingkasten, maar dat ze niet gezien kon hebben. En hij was verrast dat de split in de voorkant van de jurk toch niet liet zien wat hij wel verwacht had te zullen zien.
Ze liet de cape van haar schouders glijden en legde die op het tafelblad. Ze draaide zich om naar de deur. De rug van de jurk was tot aan de bilspleet bloot. Als gehypnotiseerd volgde hij haar het huisje in en de kamer door naar de slaapkamer.
“Ik heb de kleding van jou al voor je in de kasten opgeborgen.” Ze opende de kastdeuren en hij zag zijn kleren netjes opgeborgen. Hij wilde net naar het waarom vragen, toen zij haar jurk iets optrok en haar vulva ontblootte. Die leek wel te vlammen.

***

Het terrein rond het huisje was te klein voor de kriskras neergezette patrouillewagens en die van de forensische dienst.
De verhuurder was ’s ochtends langsgekomen om de houtvoorraad voor de kachels van beide huisjes aan te vullen. Hoewel hij momenteel voor het gerenoveerde huisje geen huurder had, verdween de houtvoorraad daar steeds, die hij dan ook maar telkens aanvulde op weg naar het huisje waar wel een gast verbleef.
Daar aangekomen was hij naar binnengegaan, omdat de deur open had gestaan, maar er geen verdere activiteit te bespeuren was. Iets wat er ook niet meer stond te gebeuren. De bewoner voor een week lag zo dood als het maar zijn kon in bed. Hij was zich wezenloos geschrokken en erna had hij luidkeels gevloekt: “Niet nog eens, godverdomme!”
Pas nabij het dorp had hij bereik, waarna hij het alarmnummer kon bellen.

De rechercheurs die ter plekke aankwamen, troffen een leeg huis aan. De kastdeuren in de slaapkamer stonden open, maar waren leeg. En voor de rest was er ook niet iets te vinden dat aan het slachtoffer had toebehoord. Geen kleding, toiletgerei, tassen, mobieltje of andere persoonlijke bezittingen. Alleen de auto stond er nog, maar ook daarin was niets van die genoemde zaken te vinden.
Kortom, alleen de dode was er nog. Hij lag met een zwart nylon slipje over zijn hoofd in bed, het kruisje ervan drukte op z’n neus. De goudkleurige jurk die hij aanhad, was opgetrokken tot op zijn buik. Een geslacht had hij niet meer, dat leek weg geschroeid.
De oudere rechercheur zuchtte. “Dit is de tweede keer dat ik dit meemaak. De eerste keer was 5 jaar geleden en de omstandigheden waren eender,” wees hij naar het bed en het levenloze lichaam met het gapende en nog steeds walmende gat van wat eens zijn geslacht was geweest.
“Het was zeker een zeer hete vrijpartij,” glansden de ogen van de vrouwelijke rechercheur achter haar masker. En ging haar hand even, onmerkbaar voor de anderen, naar haar kruis?

Gepubliceerd door

hansbakkerschrijft.com

Ik schrijf vanuit de behoefte om zo nu en dan mijn fantasieën in verhalen om te zetten. Verhalen die erotisch, erotisch getint dan wel bizarre vertellingen zijn. Weet daarbij in elk geval dat ik ernaar streef om in mijn schrijfsels niet te kwetsen en de dingen niet ordinair te verwoorden. Wat voor mij voorop staat is de wens jou leesplezier of –genot te bezorgen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s