Hoofdstuk 7: De bestemming

Ik ruk nogmaals aan mijn boeien, maar mijn polsen en enkels krijg ik slechts een klein rukje van het matras omhoog. Ik pis zowat van angst, die gek neemt me mee! Ontvoert me! Gaat me op een stille plek verkrachten en vermoorden! Mijn dochters, ik zie hen nooit meer terug! Ik barst in huilen uit, schokkend met heel mijn lijf.
Godsamme, verman je Lisette, spreek ik mezelf tussen een paar snikken door toe. Wie zegt dat hij dat allemaal met me gaat doen?
Ja hoor, dit wordt een plezierritje voor je, trut, sart het duiveltje op mijn schouder.
Ik probeer me te concentreren. Hoe is hij gereden? Omhoog het viaduct op, toch? Ja. Toen linksaf? En naar beneden? Dan moet hij de snelweg naar Rotterdam op zijn gegaan. Waar we zo zijn, dat is geen uren rijden. Meende dat hij echt? Brengt hij me het land uit?

Ik heb het opgegeven na te denken, in het besef dat het zinloos is. Ik heb geprobeerd mijn angst opzij te zetten, wat ook bij een zinloze poging bleef. Ik heb getracht de kogeldildo’s te negeren, maar die begonnen meer en meer een kwelling te worden. En ik moest plassen, wat ik hem aangegeven had, waarop hij had gereageerd met een “Ga je gang.” Zodat ik in mijn eigen nat lig.

Het geluid van de motor is gestopt, alleen het tikken van de afkoelende motor dringt nog tot me door. Ik hoor de zijdeur van de camper opengaan. Dan handen, die bij mijn boeien bezig zijn. Ben ik op mijn eindbestemming aangekomen?
“Sta op, maar doe het rustig aan.”
Het is zijn stem, kalm en met een vriendelijke ondertoon. Zijn handen pakken mijn handen beet. Die zijn groot.
“Kom.”
Gesteund door zijn handen schuifel ik met hem mee.
“Voorzichtig, want nu komt het afstapje.”
We zijn de camper uit. Ik luister.  Hoor niets. Dan toch, het geloei van een koe van heel ver weg. Zijn we op het boerenland? In het zuiden? In België? In Frankrijk?
“Pas op, een drempel.”
We gaan een huis binnen? Een stal? Het ruikt niet daar stal.
“En nu helemaal voorzichtig aan, want we gaan een trap af.”

Zijn handen laten me met een licht duwtje stoppen en laten me los. Ik voel ze bezig gaan om het riementuigje los te maken. Ze gaan verder naar beneden, naar mijn enkellaarsjes.
“Til je voet eens op.”
Ik laat een hand tastend naar steun zoeken, raak zijn schouder, voel het stof van dat wat hij aan heeft.
De laarsjes zijn uit, mijn voetzolen voelen dat ik op een houten vloer sta. De enkelboeien gaan af.
Hij haalt mijn hand van zijn schouder af. De polsboeien gaan eveneens af.
Dan voel ik hoe de rits van mijn jurkje naar beneden wordt getrokken. Ik verstijf. O nee, gaat het nu gebeuren? Gaat hij me straks verkrachten?
Het jurkje glijdt langs mijn lichaam naar beneden. Mijn beha gaat af. Ik heb de neiging mijn armen voor mijn borsten te kruisen.
“Wat gaat u met me doen?” durf ik eindelijk met een benepen stemmetje te vragen.
“Je dadelijk te eten en te drinken geven,” is zijn verrassende antwoord.
O?
“Blijf even zo staan.”
Ik hoor zijn stappen op de houten vloer van me weg gaan, een deur die open gaat. Even niets. En ik? Ik sta te wachten, berustend verdomme. In mijn naaktheid. Nou ja, bijna naakt, want ik heb die irritante dildogordel nog om. Maar wat kan ik anders doen dan berusten? Met hem in gevecht gaan? En dat gevecht vervolgens verliezen en hem kwaad hebben gemaakt? Niet echt verstandig. Maar ik moet wat doen, ik moet …
De deur gaat dicht. Dan klinkt zijn stem weer, anders nu, alsof hij door een intercom praat.
“Je krijgt zo je late lunch, die moet ik nog voor je klaarmaken. Jij mag nu je masker af doen.”
Iets wat ik maar al te graag gehoor aan geef. Eindelijk wat zien! En misschien ontsnappen.

Ik knipper met mijn ogen, moet even aan het licht van lampen wennen. Dan staar ik in shock om me heen. Ik sta in een, alles in één woonruimte? Want het is te absurd voor woorden. Aan één wand een douchecabine, wastafel, toilet. Mijn ogen gaan langs de andere wand, naar het éénpersoons bed, een nachtkastje, een kast. Verder, naar de andere wand. En ik gil het uit. Aan de muur, boven en naast een bureau hangen tientallen foto’s van me. Van mij op straat, voor de supermarkt, voor mijn werk, ik op de fiets. Gekleed en in mijn blootje in de badkamer en de slaapkamer, op het toilet en zelfs eentje van gisteravond, met het plasmasker op voor de webcam. Dit is complete waanzin!
Met een hand voor mijn mond sta ik in verbijstering ernaar te kijken. Die mafkees heeft mij al wekenlang gestalkt!
Achter me klinkt een ratelend geluid, een ‘pling’ en ineens zijn stem: “Je lunch is gearriveerd in de keuken. Mij hoor of zie je vanavond.”
“Gek! Mijn hele leven ligt op straat!” gil ik en ik wijs naar de foto’s. “Wat wil je daarmee! Wat wil jij van mij?”
Het blijft stil.
“Geef antwoord, verdomme! Vuile klootzak!”
Geen reactie. Jankend zak ik door mijn knieën, radeloos laat ik me op de grond vallen. Dit is een complete nachtmerrie, waanzinnige horror.
“O, mijn God, help me” jammer ik, maar ook Hij hoort me niet.

Ik kom omhoog, ga op mijn kont zitten, vloek, klote dildo’s! Ik sta op, ruk aan de riem. Wat vergeefse moeite is. Radeloos kijk ik om me heen, zie een aanrecht. Zijn woorden komen weer bij me binnen, iets over eten. Gelijk rommelt mijn maag en het besef dringt tot me door dat ik de hele dag nog niets heb gegeten. Naast het aanrechtblad zie ik een luikje, ernaast brandt een groen lampje. Zal daar het eten achter staan?
Het luikje kan omhoog. Erachter een etenslift en een dienblad met brood en beleg en fruit.
Ik pak het dienblad eruit en zet het blad op de eetbar. Een eetbar? Iets wat nu pas tot me doordringt. Zoals ik me ineens bewust ben van een bankje en een fauteuil met een tafeltje ervoor. Achter het bankje een kastje met links en rechts ervan een deur. Gelijk loop ik ernaar toe, in een willen weten wat daarachter zit; beide zitten op slot. Als ik me omdraai zie ik nog een derde deur, naast het aanrecht. En ja, ook die blijft gesloten voor me. Ik staar naar de ruimte, laat mijn ogen er weer eens doorheen dwalen en ineens panikeer ik; uit alles blijkt dat dit hier is ingericht voor een langdurig verblijf! Mijn blik wordt weer naar de foto’s aan de muur getrokken. Of voor altijd? Want waarom heeft hij me anders gestalkt, me uiteindelijk ontvoert en … Ik bijt op mijn onderlip, de vernederingen passen niet in het plaatje, van het plasmasker, van de gordel.
Mijn maag laat opnieuw van zich horen. Eten, ja, ik moet eten, al was het maar om me sterk te blijven voelen.

Ik pak een dikke plak bruin brood uit het mandje, een plak kaas van een schaaltje en zie dan het sleuteltje. Is dat van de gordel? Ja! Het hangslot is los.
Meteen ga ik naar de douchecabine, want ik heb het vermoeden dat de kogels die ik anaal in heb besmeurd zullen zijn. Wat inderdaad het geval is. Met een vies gezicht leg ik de gordel in een hoek van de cabine neer.
Ik zet de thermosstaatkraan open en spoel eerst mijn onderlichaam schoon en daarna pas de gordel. Mijn sluitspier doet onaangenaam pijn en ik vrees dat ik dat gevoel nog even zal houden.
Uit de open kast vandaan pak ik een handdoek van de stapel en droog me af. Opgelucht de gordel kwijt te zijn ga ik terug naar de boterham met kaas om daarmee mijn honger te stillen. En te kauwen op een plan om aan deze waanzin te ontsnappen.

Gepubliceerd door

hansbakkerschrijft.com

Ik schrijf vanuit de behoefte om zo nu en dan mijn fantasieën in verhalen om te zetten. Verhalen die erotisch, erotisch getint dan wel bizarre vertellingen zijn. Weet daarbij in elk geval dat ik ernaar streef om in mijn schrijfsels niet te kwetsen en de dingen niet ordinair te verwoorden. Wat voor mij voorop staat is de wens jou leesplezier of –genot te bezorgen.

2 gedachten over “Hoofdstuk 7: De bestemming”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s